2 februari 2017

Ken je mij, wie ken je dan? Een gesprek met Antje van der Hoek

Geschreven door Peter Kluit

Over de eerste vonk, over leven te midden van leven, over bedding!

Op de stormachtige woensdag van de vierde januari had ik het eerste interview met Antje van der Hoek in het kader van haar vertrek naar het “filiaal” Den Haag. Het gesprek mondde uit in een openhartige uitwisseling over de zin van het leven, over het leven dat wordt gegeven, over de bedding in het bestaan en de poëtische typering van de relatie met haar moeder “Wij zijn een gesprek”.

Zo had ik nooit kunnen vermoeden dat het eerste interviewgesprek met haar zou kunnen eindigen met een verwijzing naar een strofe van één van mijn favoriete liedteksten, “Ken je mij, wie ken je dan?” gezongen door Trijntje Oosterhuis en door haar vader geschreven. Het lied staat mij dichtbij, ik heb het honderden keren geluisterd, gezongen en ben altijd ontroerd door de kern in dit lied.

“Ken je mij? Wie ben ik dan? Ben ik door jou, zonder schaamte, gezien, genomen, door niemand minder?” Dit lied kent haar wortels in psalm 139. Antje refereert aan het lied én de psalm in één van haar preken die zij hield in 2015, en vertelt in het interview dat deze preek het dichtst bij haar eigen ervaringen staat. Een citaat daaruit: “Die psalm is ontstaan vanuit onze menselijke verlangens van gekend-, geborgen- en aanvaard- zijn. Uit de veelsoortige ervaringen die we daarmee in de loop van ons leven kunnen opdoen en met het besef dat die ervaring nooit volkomen is. Want naast die ervaring van gekend-zijn is er tussen mensen ook de miskenning. De kwetsuren, de pijn en het verdriet die wij elkaar aandoen. Bedoeld of onbedoeld. Kennen en gekend worden: wat is dat eigenlijk? Een vraag om eindeloos over te mijmeren, kun je jezelf kennen? Kun je een ander kennen? En die ander jou? Want ook als je zo af en toe stilstaat bij je eigen doen en laten, zijn er toch altijd dingen die je niet begrijpt. Zijn er momenten dat je schrikt van je eigen reactie, van het feit dat je soms zo anders handelt dan je zou willen of dan je vindt dat je zou moeten. Maar natuurlijk helpt het als je af en toe wat over jezelf nadenkt. Wat reflecteert en evalueert. Je drijfveren en motieven probeert te doorgronden. Maar ergens is er een grens. En ben je jezelf een raadsel, net zoals die ander soms ondoorgrondelijk kan blijven”.

Zin en zinnen

Ter voorbereiding van het interview had ik Antje gevraagd na te denken over zinnen die bij haar in haar leven geraakt en gevoed hebben, of kracht of inzicht hebben geven. Kortweg zinnen waar ze iets aan heeft gehad. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd, want zij kwam direct met een monumentale zin van Albert Schweitzer die zij in haar laatste vakantie op het Schöpfungspfad in de Eifel was tegengekomen: Ich bin Leben, das leben will, inmitten von Leben, das Leben will. (Ik ben leven dat leven wil te midden van leven dat ook leven wil.) “Als christen hecht ik aan het leven, dat is een cruciaal uitgangspunt van ons geloof en ik beschouw het leven als een kwetsbaar geschenk, in de bedding van een (familie)geschiedenis van eeuwen, er is leven vóór mij en ook na mij, een enorm troostende gedachte. Dat kunnen en mogen leven wordt voor mij religieus gezien het treffendst weergegeven in de psalm die hierboven al werd aangehaald. In vers 13 en 14 (NBV-vert.) staat daar: ‘U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel’. De voorliefde voor deze tekst hangt ook samen met de band die ik met mijn moeder ervaar. Mijn moeder is een bescheiden, maar sociaal behendige vrouw. Ik heb een heel goede, sterke band met haar. Op haar tachtigste verjaardag, afgelopen zomer, hebben we een boek voor haar gemaakt, waarin ieder een blad moest vullen. Mijn blad begon met het opschrift ”Wij zijn een gesprek.” Ik deel met haar iets wat ik met niemand deel, een geschiedenis die begon voordat ik er was, een liefde voor mij en mijn bestaan vóórdat ik een plek kreeg in dit bestaan, mijn moeder is mijn bedding! Ik moet er niet aan denken dat zij er op een dag niet meer zou zijn, vreselijk. Als ouder hoop ik, samen met Paul, mijn man, zoiets ook door te geven aan mijn twee dochters: een goede bedding, waar zij later op kunnen voortbouwen. Of dat uiteindelijk lukt, blijft natuurlijk altijd de vraag.”

En, welke band had je met je vader? “Met mijn vader had ik een andersoortige band. Goed, maar heel anders. Mijn vader was een gedegen wetenschapper en werkte als scheikundige bij het voedingsinstituut van TNO. Hij was een toegewijde, maar ietwat onhandige man. Een zin van mijn vader is ”Geloof is een meerwaarde.” Dat zegt iemand anders misschien niets, maar ik weet precies wat hij bedoelde en leef met deze zin. Het geloof doet immers ook een ethisch appèl op mensen. Dat geldt in het klein, in de onderlinge omgang, maar ook in het groot, binnen maatschappelijke verbanden. Mijn vader is anderhalf jaar geleden overleden. Het afscheid van hem vond geleidelijk plaats, zijn leven “vloeide” door zijn dementie als het ware weg.”

Kun je nog vertellen wat je aantrok om theologie te gaan studeren en dominee te worden? “Ik kom uit een remonstrants nest, zoals dat heet. Mijn grootouders van vaderszijde waren betrokken bij de remonstrantse gemeente Den Haag en mijn ouders bij die in Utrecht. Langs deze lijn raakte ik al jong geboeid door religieuze en filosofische vragen. Maar het was de flamboyante Utrechtse dominee Wim Knoppers (1920-1987) die in mijn puberteit indruk op mij maakte. Hij lééfde (voor) zijn vak, was een uitzonderlijk gepassioneerde man, het was de eerste vonk. Hij gaf mij bijles in Franse literatuur, over Jean-Paul Sartre e.d.  Dat noemde hij “catechisatie” en na deze catechisatie nam hij monter afscheid en sloot af met de woorden “en nu ga ik het evangelie verkondigen…” . Dan stapte hij in zijn Eend en vertrok met rammelende motor naar zijn volgende klus. Van hem heb ik geen specifieke zin in herinnering, maar het was wel de eerste geloofsvonk.”

Kreeg je die niet van je ouders? “Thuis werd er wel over het geloof gesproken, maar niet zozeer wat dat het met het innerlijk kan doen. Ik groeide op in de naoorlogse sfeer van humanisme met een christelijke saus. Thuis was er de sfeer van redelijkheid en zedelijkheid, over emoties werd in die tijd zoveel niet veel gesproken.”

Toen heb je voor de studie theologie gekozen? “Nee, eerst heb ik een jaar in een antroposofisch huis voor verstandelijk gehandicapten in Engeland te gewerkt, daarna ben ik theologie in Leiden gaan studeren. Na mijn doctoraal heb ik een proefschrift geschreven over de godsdienstgeschiedenis van protestantse en islamitische Molukkers in Nederland. Het predikantschap kwam pas later. Ik ervaar het als een rijk en boeiend vak, ook al staat er momenteel veel onder druk binnen de kerken”.

Wat is er rijk en boeiend aan? “Wat het vak zo mooi maakt is dat het uiteindelijk altijd over de essentie van het leven gaat. In de rol van predikant ben je herder en leraar, dat laatste is mijn sterke kant, maar beide rollen moet je je een leven lang toe-eigenen en ben je blijvend aan het ontwikkelen. Er kleven natuurlijk veel dingen aan je persoon, als predikant ben je een projectiescherm van bepaalde kwaliteiten, die je niet altijd kan waarmaken.”

Zin voor gemeente?

Met ingang van februari dit jaar vertrek je naar Den Haag. Heb je nog een zin voor de gemeente? “Tja, dat is lastig. Dat heeft iets pathetisch van een laatste zucht, een laatste woord … Ik kan alleen zeggen wat mij momenteel erg bezighoudt en wat ik de gemeente graag toewens. Ik las onlangs het pamflet van Bas Heijne ‘Onbehagen, nieuw licht op de beschaafde mens’. Zijn laatste zin in dit pamflet lijkt mij van grote waarde in de complexe en verwarrende tijd waarin wij nu leven. ‘Hoed je voor de barbaar in je omgeving. En voor de barbaar in jezelf’, schrijft hij daar. In het pamflet worstelt Heijne met het humanistische naoorlogse wereld- en mensbeeld waarmee hij en, zoals gezegd ikzelf, is opgegroeid. Dat staat onder druk. Sinds de milleniumwende zijn er allerlei bewegingen die de groepsgeest benadrukken, soms zelfs met geweld afdwingen. Hij duidt het als een Contra-Verlichting, in tegenstelling tot de Verlichtingsidealen van de naoorlogse jaren. Die idealen waren misschien ook wel wat erg hooggestemd, vooral ook in vrijzinnige kring.

We zijn als mensen vaak heel wat minder rationeel en deugdzaam en het Freudiaanse lustprincipe wint het vaak van het realiteitsprincipe. Meer oog voor de duistere en grillige kant van mensen is dus wel op z’n plaats. Maar tegelijkertijd gaat het er, denk ik, ook om waarden als compassie en naastenliefde hoog te houden. In deze tijd van polarisatie, worden er een heleboel vernederende dingen gezegd en gedaan. Dan is het belangrijk je te realiseren aan welke kant je staat. Dan is er m.i. een overkoepelend verhaal nodig wat ons bindt, bijeen houdt, dat verhaal moet blijven! Dan kom ik weer even terug op de ‘lust en realiteitprincipes’ van Bas Heijne, die er voor pleit dat er in deze complexe maatschappij geduld en tussentijd nodig zijn om aan de oplossingen voor complexe vraagstukken te werken t.a.v. bijvoorbeeld het klimaat of de vluchtelingenproblematiek. Dat geduld zijn we bijna verleerd, in deze tijd waarin je met één muisklik ieder mogelijke behoefte a.h.w. bevredigd kan worden. Wat dat betreft, biedt een gemeente als de onze een bijzondere ‘bedding’, om dat woord nog een keer te gebruiken. Een gemeenschap, die ook in zulke omstandigheden houvast en oriëntatie kan bieden, in momenten van reflectie, inkeer en bezinning. Deze gemeenschap deelt al jaren lief en leed met elkaar. Waar kan je vandaag de dag nog onbetaald binnen komen en aanschuiven? En daardoor opgenomen worden en gezien worden? Dan raakt het mij dat de leden van de kerkenraad zich tomeloos inzetten, waardoor zij eigenlijk het werk van de predikant faciliteren, mijn werk dus. Zij zorgen er zo voor dat de zachte krachten een plek kunnen krijgen, kunnen wortelen en bedding geven aan een ieder die hiervoor openstaat”.

“Vanuit het geloof, zoals ik dat beleef, is er daarbij bovendien een hardnekkige hoop op een nieuw begin, die ondanks alles vasthoudt aan nieuwe kansen en mogelijkheden. “Zie ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het heb je het nog niet gemerkt?” staat er in Jesaja (43:19). Deze bemoedigende zin, die ook centraal stond in de Nieuwjaarsbegroeting, geef ik de gemeente graag mee. Met grote dankbaarheid voor de vijftienenhalve jaar dat ik hier predikant was! ”.

De afscheidsdienst van Antje zal op 12 februari plaatsvinden. Zij gaat dan voor tijdens een muziekdienst met het Haarlems Klein Koor o.l.v. Martine des Tombes m.m.v. Lotte Beukman, cello – Motet ‘Jesu meine Freude’van J.S. Bach en ‘An den Wassern zu Babel’ van Arvo Pärt.

Na de dienst is een lopend buffet en de gelegenheid om persoonlijk van Antje afscheid te nemen. Foto’s van het afscheid.

Manon van’t Hof

Gerelateerd